NILS Netherlands

NILS Talks: Het juridische stoornis vereiste en haar internationaalrechtelijke knelpunt

In een eerder gepubliceerde NILS Talks is de weigeraarsproblematiek aan het licht gekomen.[1] Deze problematiek houdt kort gezegd in dat daders, om preventieve detentie te ontlopen, weigeren mee te werken aan een pro Justitia rapportage: een onderzoek door een onafhankelijke psychiater of psycholoog naar een persoon die betrokken is in een rechtszaak. Voor het opleggen van preventieve detentie voor onbepaalde duur, in de volksmond tbs, is immers onder meer vereist dat bij de verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van het geestesvermogen bestond.[2] De vaststelling van een psychische stoornis hoeft echter niet door een gedragsdeskundige te geschieden; ook de rechter kan zelfstandig tot deze vaststelling komen. Dit roept in de strafrechtswetenschap onder meer de volgende vraag op: in hoeverre worden de (mensen)rechten van een verdachte gewaarborgd indien een rechter (vaak) zonder medische achtergrond een psychische stoornis vaststelt bij een verdachte?


Tbs
Alleen als aan een aantal vereisten is voldaan, kan de rechter bepalen dat een verdachte ter beschikking wordt gesteld en van overheidswege wordt verpleegd.[3] Allereerst dient bewezen te worden dat de verdachte een tbs-waardig delict heeft gepleegd. Ten tweede moet de rechter vaststellen dat de verdachte tijdens het delict leed aan een “gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van het geestesvermogen”. Tenslotte moet zijn voldaan aan het gevaarcriterium. Dit houdt in dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de terbeschikkingstelling en de dwangverpleging vereisen.

Voor de oplegging van tbs dient de psychische stoornis aanwezig te zijn ten tijde van het delict, zo eist de wet.  De wet en de Hoge Raad vereisen niet dat er een causaal verband bestaat tussen de stoornis en het delict. Het is voldoende dat beiden gelijktijdig zijn, dus dat er sprake is van een stoornis tijdens het delict.

 

“De wet en de Hoge Raad vereisen niet dat er een causaal verband bestaat tussen de stoornis en het delict.”



Het juridische stoornisbegrip

Uit de wetsgeschiedenis kan voorts worden opgemaakt dat er wordt uitgegaan van een juridisch stoornisconcept. Dit concept is ruimer en biedt meer mogelijkheden dan het medisch stoornisbegrip. Het oordeel van de rechter over de aanwezigheid van een stoornis moet volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden beschouwd als een ‘feitelijke vaststelling’, die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. In beginsel, om tot dit oordeel te komen, dient de rechter zich volgens de wet te laten voorlichten door gedragsdeskundigen die de verdachte hebben onderzocht.[4] De rechter is volgens dezelfde vaste jurisprudentie echter niet gebonden aan de bevindingen van de gedragsdeskundigen. De rechter heeft een “eigen verantwoordelijkheid” en kan dus, indien de gedragsdeskundigen niet tot de vaststelling van een stoornis zijn gekomen, desalniettemin vaststellen dat bij de verdachte tijdens het delict sprake was van een psychische stoornis.[5]

 

“De rechter is volgens dezelfde vaste jurisprudentie echter niet gebonden aan de bevindingen van de gedragsdeskundigen.”

 

Knelpunt met het EVRM

Strafrechtswetenschappers hebben kritische geluiden laten horen tegen de rechterlijke vaststelling van een stoornis in gevallen waarin gedragsdeskundigen geen stoornis hebben kunnen vaststellen. Eén van de kritische geluiden ziet op de verhouding van de eigen verantwoordelijkheid van de rechter met het internationale mensenrecht, meer specifiek artikel 5 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Een persoon kan slechts van zijn of haar vrijheid worden beroofd indien dat geschiedt volgens een wettelijke procedure en op basis van een in artikel 5 lid 1 EVRM opgenomen grond.[6] De beperkingsgronden dienen rechtmatig te zijn (‘in accordance with a procedure prescribed by law’ en ‘lawful’). Deze eisen van rechtmatigheid waarborgen het doel van artikel 5 EVRM: de bescherming tegen willekeur.

Voor de oplegging van preventieve detentie waarvoor een stoornisvereiste geldt (zoals de tbs), is de beperkingsgrond van artikel 5 lid 1 onder e EVRM (hierna: de e-grond) van toepassing: de rechtmatige detentie van persons of unsound mind. Voor een dergelijke detentie is geen strafrechtelijke veroordeling nodig. Deze grondslag is tezamen met de grondslag ‘de rechtmatige detentie na een veroordeling’ van artikel 5 lid 1 onder a EVRM (hierna: de a-grond) van toepassing op tbs, hierbij opmerkende dat vrijheidsbeneming in de zin van de tbs-maatregel op zichzelf kan zijn gerechtvaardigd in verband met een strafrechtelijke veroordeling (de a-grond). Echter, indien dit verband door tijdsverloop vervaagt en de nadruk meer komt te liggen op het verband tussen stoornis en gevaar kan de a-grond op een gegeven moment komen te vervallen.[7] Er hoeft dan nog geen sprake te zijn van een schending van artikel 5 EVRM; tbs kan alsnog gerechtvaardigd zijn als is voldaan aan de voorwaarden van de e-grond.

 

“Eén van de kritische geluiden ziet op de verhouding van de eigen verantwoordelijkheid van de rechter met het internationale mensenrecht.”

 

Een van de eisen voor toepassing van de e-grond is dat er sprake moet zijn van een echte psychische stoornis, die is vastgesteld door een daartoe bevoegde instantie, op grond van objectieve medische expertise. Als een verdachte weigert mee te werken aan het onderzoek naar zijn geestesgesteldheid, dan geldt een enigszins afwijkend regime. Een medisch expert dient dan, op basis van het dossier, een beoordeling te maken van de actuele geestesgesteldheid. Een dergelijke beoordeling mag hij niet doen op basis van gebeurtenissen uit het verleden; de beoordeling moet zijn gebaseerd op de actuele mentale toestand van de persoon.[8]

Tegen de achtergrond van deze uitgangspunten kunnen, in het kader van de e-grond, problemen ontstaan wanneer gedragsdeskundigen op grond van hun onderzoek geen uitlatingen kunnen doen over de aannemelijkheid van een stoornis, waarna de rechter op grond van dezelfde informatie toch zelfstandig een psychische stoornis vaststelt. Het vaststellen van een psychische stoornis doet een rechter op basis van deviant gedrag en afwijkende opvattingen. Denk aan bizarre uitspraken, het werkloos zijn, ontvangen van een uitkering of afwezig gedrag tijdens de koffiepauze, zoals het geval in een uitspraak van de Rechtbank ‘s-Gravenhage uit 2012.[9] Dergelijke afwijkingen zijn evenwel onvoldoende om op grond van de e-grond de tbs-maatregel te rechtvaardigen. Indien het gebruik van dergelijk afwijkend gedrag en niet-actuele rapportages onder de voorgenomen wetgeving (ook) voldoende kan zijn om een juridische stoornis vast te stellen in het kader van de tbs, kan dat bij de oplegging van tbs in geval van volledige ontoerekeningsvatbaarheid, maar ook bij de tenuitvoerlegging – op het moment dat de a-grond wegens tijdsverloop vervalt – problematisch zijn. Er is immers sprake van ongerechtvaardigde vrijheidsontneming en aldus een conflict met artikel 5 EVRM indien de e-grond ontbreekt en de a-grond vervalt. 

 

“Het vaststellen van een psychische stoornis doet een rechter op basis van deviant gedrag en afwijkende opvattingen.”



Conclusie
In gevallen waarin deskundigen niet in staat zijn om op basis van het dossier een stoornis te diagnosticeren en dus niets kunnen zeggen over de actuele geestesgesteldheid van een verdachte, is geen sprake van een beoordeling door een medisch expert op basis van het dossier. Aldus kan – in de woorden van het EHRM – niet worden gesteld dat the person has reliably shown to be of unsound mind. Als de rechter op grond van oude rapportages zelf een stoornis vaststelt, is geen sprake van een medical assessment, welke bovendien niet is gebaseerd op the actual state of mental health of the person concerned and not solely on past events. Ongeacht of de Nederlandse wet of wetsgeschiedenis hiervoor ruimte zou bieden, het vaststellen van een stoornis door de rechter en het opleggen of voortduren van tbs verdraagt zich niet met de e-grond. Dit betekent niet gelijk dat een tbs-maatregel daardoor ook strijd oplevert met artikel 5 EVRM, tenzij door tijdsverloop de rechtvaardiging van tbs op grond van de a-grond vervalt. Misschien zou er in dit licht dan toch een alternatief moeten komen voor het opleggen van tbs.

 

Geschreven door: Yassir Rotbi.

 

 

 

[1] Rasa Barai, NILS Talks: weigering, de ontsnapping aan tbs?, (nilsnetherlands.org, 1 december 2020), https://nilsnetherlands.org/2020/12/01/weigeren-de-ontsnapping-aan-tbs/.

[2] Art. 37a lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht.

[3] Sjors Ligthart e.a., Tbs en stoornis: enkele overwegingen voor de wetgever, (navigator.nl, 23 april 2019), https://www.navigator.nl/document/idac10c9a8513b4325a622e20db9c2031d?ctx=WKNL_CSL_85

[4] Art. 37a lid 3 Wetboek van Strafrecht.

[5] Gerechtshof Arnhem 18 mei 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BQ4981

[6] Dit zijn limitatieve gronden: een vrijheidsontneming die niet onder één van de in art. 5 lid 1 EVRM genoemde gevallen kan worden gebracht, is onrechtmatig.

[7] Constancia/Nederland EHRM

[8] EHRM 3 maart 2015, ECLI:NL:XX:2015:230, par. 26 (Constancia/Nederland).

[9] Rechtbank ’s-Gravenhage 30 augustus 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX6176.

 

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *