NILS Netherlands

NILS Talks: Het ondervragingsrecht in het Nederlands strafprocesrecht

Het recht op een eerlijk proces wordt onder andere gewaarborgd in artikel 6 EVRM. Een uitgangspunt van het recht op een eerlijk proces is dat de verdachte in staat wordt gesteld om al het bewijs wat tegen hem is verzameld te toetsen of te betwisten.[1] Het ondervragingsrecht is een essentieel recht om dit uitgangspunt na te kunnen komen. De regel die hierbij geldt is dat iedere verdachte in beginsel het recht heeft om getuigen te ondervragen. Het ondervragingsrecht is dan ook op internationaal als op nationaal niveau geregeld. Vandaag gaan we kijken hoe het getuigenverzoek in het Nederlands strafprocesrecht is geregeld.

Op nationaal niveau wordt in het Wetboek van Strafvordering in verschillende bepalingen aan de verdachte het ondervragingsrecht toegekend. In de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering worden verschillende fasen in een procedure onderscheiden. Zo zijn er bepalingen voor het ondervragingsrecht voor de procedure in eerste aanleg, maar ook voor de procedure in hoger beroep. Deze bepalingen worden door de Hoge Raad verder uitgewerkt en uitgelegd in de jurisprudentie.[2]

 

“Het getuigenverzoek moet voldoende stellig zijn, behoorlijk gemotiveerd en tijdig worden gedaan”

Het Wetboek van Strafvordering biedt dus een aantal bepalingen aan de verdediging met de mogelijkheid om getuigen te horen. Dit kan zowel voor het onderzoek ter terechtzitting[3], als tijdens het onderzoek ter terechtzitting.[4] De verdediging doet een beroep op het ondervragingsrecht op eigen initiatief. Dit verzoek doen zij aan de officier van justitie voor de terechtzitting (art. 263 Sv) of, bij afwijzing daarvan, tijdens de terechtzitting aan de rechter (art. 328 Sv). Het getuigenverzoek moet voldoende stellig zijn, behoorlijk gemotiveerd en tijdig worden gedaan.[5] In beginsel hoort er gehoor worden te gegeven aan dit verzoek, indien dit tijdig is gedaan. De reden hiervoor is dat het voor de overheid eenvoudiger is dan voor de verdachte om een getuige op te sporen en ter terechtzitting te laten verschijnen.[6]

 

 “Ontbreekt het verdedigingsbelang, dan kan de officier dus het verzoek om de getuige te horen afwijzen”

 

Getuigenverzoek bij de officier van justitie

Het getuigenverzoek kan door de verdediging aan de officier van justitie[7], de rechter[8] of bij de rechter-commissaris[9]worden gedaan. De officier van justitie kan een getuige echter weigeren. Zo kan hij bijvoorbeeld in de beginfase ‘bij een met redenen omklede beslissing’ een getuige weigeren op grond van redenen genoemd in artikel 264 Wetboek van Strafvordering (Sv).[10] Bij het weigeren van een verzoek dient de officier van justitie het verzoek te toetsen aan de hand van het verdedigingscriterium, conform art. 264, lid 1, sub c Sv. Hierbij moet de vraag worden beantwoord of het horen van de getuige relevant is voor de beoordeling van de rechter.[11] Hierbij is de motivering van het getuigenverzoek zeer belangrijk.[12] Ontbreekt het verdedigingsbelang, dan kan de officier dus het verzoek om de getuige te horen afwijzen. Als de verdediging, door de afwijzing van het verzoek, toch wordt geschaad in zijn belang, is de toewijzing is sommige situaties nog steeds niet verplicht. Voorbeelden van zulke situaties zijn wanneer een getuige bijvoorbeeld is overleden, maar ook als de bescherming van het welzijn van de getuige van toepassing is. Mocht het zo zijn dat dit verzoek is afgewezen, dan kan de verdediging het verzoek om de getuige te horen nogmaals aanvoeren, maar dan voor de rechter.[13]

 

Getuigenverzoek bij de rechter

Afhankelijk van de door de verdediging gekozen procedure om het getuigenverzoek voor de terechtzitting of tijdens de terechtzitting te doen, is er ook nog een beslissingsmodel voor de rechter aan de hand waarvan hij het getuigenverzoek moet beoordelen.[14] Er kunnen twee verschillende criteria worden onderscheiden: het criterium van het verdedigingsbelang en het noodzakelijkheidscriterium. Het criterium van het verdedigingsbelang is hierboven al besproken. In de situatie waarin een getuigenverzoek niet of niet tijdig wordt gedaan na aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, wordt er gekeken naar het noodzakelijkheidscriterium.[15] De rechter beoordeelt hierbij of dit verzoek noodzakelijk wordt geacht met het oog op de volledigheid van het onderzoek van de zaak.[16]

Conclusie

Het getuigenverzoek kan dus bij verschillende personen, in verschillende fasen van de procedure worden ingediend. Elk persoon hanteert een ander criterium bij de beoordeling van het getuigenverzoek. Mocht je dit onderwerp erg interessant vinden dan raad ik je aan om het Keskin-arrest te lezen. De Hoge Raad wordt in de zaak van Keskin door het EHRM op de vingers getikt met betrekking tot de regels die in Nederland gelden ten aanzien van onderbouwing van getuigenverzoeken. Dit heeft als gevolg gehad dat in het Post-Keskin arrest de Hoge Raad aanleiding vindt om zijn eisen bij te stellen over dit onderwerp. Deze zaak is het lezen zeker waard!

Geschreven door: Shaayerie Baksh

 

 

 

 

[1] EHRM 20 november 1989, ECLI:NL:XX:1989:AD0949, NJ 1990/245, m.nt. E.A. Alkema (Kostovski), §41-42.

[2] Van der Laan & Van Kampen 2021/5.3.1.3.

[3] Art. 263 Sv.

[4] Art. 287 lid 3 Sv en art. 315 Sv.

[5] De Wilde, NJB 2007, p. 1396-1403.in

[6] Kooijmans, Ars Aequi 2013, p. 134-141.

[7] Art. 263 Sv.

[8] Art. 315 Sv.

[9] Art. 182 Sv.

[10] Art. 264 Sv.

[11] De Wilde, Rechtsgeleerd Magazijn THEMIS 2018, p. 180-190.

[12] Van der Laan & Van Kampen 2021/5.3.3.2.

[13] Art. 287 lid 3 sub a Sv.

[14] Scheele, Strafblad 2017, p. 213-224.

[15] Van der Laan & Van Kampen 2021/5.3.3.3.

[16] HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441, r.o. 2.8.

Foto: Pexels

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *