NILS Netherlands

NILS TALKS: Geloofsvrijheid in tijden van crisis

‘Hebben gelovigen in Nederland meer rechten dan niet-gelovigen? Kunnen wij nog wel spreken van een gelijke behandeling op het moment dat de horeca moet sluiten, maar de gebedshuizen geopend blijven? Dient de godsdienstvrijheid afgeschaft te worden?’

Dit soort vragen worden de afgelopen tijd veel gesteld. Er is namelijk veel ophef over de genomen COVID-maatregelen, of beter gezegd, de niet-genomen-maatregelen rondom de gebedshuizen. De ‘ongelijke behandeling’ tussen religieuze en seculiere activiteiten leidt bij sommigen in de maatschappij tot verontwaardiging. Maar is deze ‘ongelijke behandeling’ rechtvaardig en waarom wordt er eigenlijk zoveel belang gehecht aan godsdienstvrijheid?

Van de 16e tot de 17e eeuw werd er zwaar gevochten in godsdienstoorlogen; denk maar aan de Beeldenstorm en de Protestante Reformatie. Miljoenen mensen hebben daarbij hun leven verloren. Om een stop te zetten achter de moorden, kwam er als eerste in Nederland een gewetensvrijheid; de vrijheid om op godsdienstig gebied te denken wat men wil. Dit werd in 1579 in artikel 13 van de Unie van Utrecht erkend. In 1796 kwam er een beperkte godsdienstvrijheid, waarbij Kerk en Staat werden gescheiden. De Grondwet van 1848 zorgde voor een verregaande godsdienstvrijheid. Het heeft echter nog wel een tijd geduurd voordat men de godsdienstvrijheid kreeg zoals wij die nu kennen.

“Om een stop te zetten achter de moorden, kwam er als eerste in Nederland een gewetensvrijheid; de vrijheid om op godsdienstig gebied te denken wat men wil.

Artikel 6 van de Grondwet:

Het artikel uit de Grondwet, gevormd in 1983, luidt als volgt:

  1. Ieder heeft het recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.
  2. De wet kan ter zake van dit recht buiten gebouwen en besloten plaatsen regels stellen ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Het huidige beleid waarborgt artikel 6 van de Grondwet. De Grondwet maakt het desalniettemin ook mogelijk om de godsdienstoefening te beperken indien er zwaarwegende redenen zijn. In de grondwetswijziging van 1983 heeft de Grondwetgever het namelijk toegestaan om godsdienstuitoefeningen te beperken middels andere formele wetten dan de Strafwet. Toch zijn dit soort strenge maatregelen niet genomen tijdens de COVID-19 crisis. Daarbij gaf Minister De Jonge als reden:

“Wij erkennen dat het zowel bij woningen als bij samenkomsten van godsdienstige en levensbeschouwelijke aard gaat om autonome sferen die in beginsel buiten de mogelijkheden tot gedragsbeïnvloeding door de overheid vallen en behoren te vallen. Slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen is er een aanknopingspunt voor overheidsinterventie vanwege een publiek belang”.

Het recht om in naam van een godsdienst of levensovertuiging bijeen te komen wordt gezien als de ‘kern’ van de godsdienstvrijheid. Beperkt men mensen om bijeen te komen in een kerk, dan worden die mensen in hun godsdienstvrijheid beperkt. Diezelfde ‘kernrechtbenadering’ kan dienen als een reden waarom er in het corona beleid een uitzondering wordt gemaakt voor godsdienstige en levensbeschouwelijke bijeenkomsten.

Argumenten voor het huidige corona beleid inzake godsdienstige bijeenkomsten:

Ten eerste rekenen miljoenen mensen in Nederland zichzelf tot een bepaalde religieuze of levensbeschouwelijk gemeenschap. Als argument kan discriminatie worden aangehaald. De verhouding zou scheef zijn op het moment dat een ongelimiteerd aantal mensen in fabrieken zouden mogen doorwerken (zoals nu het geval is), maar tien mensen niet bijeen zouden mogen komen in een kerk waar normaal 600 man in past. Op het moment dat men met duizenden naar een winkelcentrum mag, maar niet met zijn twintigen naar een kerk kan gaan, zou er ook gesproken kunnen worden van een ‘ongelijke behandeling’. Hierbij bestaat er een discussiepunt over wat men – juridische gezien – als gelijke gevallen kan zien.

Ten tweede mochten niet alleen religieuze gemeenschappen bijeenkomen tijdens de lockdown, maar ook buurthuizen waar kwetsbare personen werden opgevangen. Men zou kunnen zeggen dat een kerk, moskee, synagoge etc. ook zo een functie heeft. Mensen met psychische problemen kunnen daar ook terecht, omdat er onder andere bijeen wordt gekomen om mensen te helpen en niet alleen God te vereren.

De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging kunnen gezien worden als afstammelingen van dit ‘moederrecht’.

Ten derde kan de godsdienstvrijheid historisch worden gezien als een eerste ‘moederrecht’ op grond waarvan men het oneens kon zijn met wat de autoriteiten aanreikten. Met dit recht kregen burgers de kans om zowel hun eigen godsdienst uit te oefenen als kritiek te uiten op het heersend gezag. De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van vereniging kunnen gezien worden als afstammelingen van dit ‘moederrecht’. Hierdoor is het dan ook gepast dat de overheid niet zomaar maatregelen mag opleggen om deze vrijheid van mensen in te perken.

Conclusie

Tot de dag van vandaag wordt er hevig gediscussieerd over de ‘ongelijke behandeling’ die plaatsvindt tussen religieuze en seculiere activiteiten. Hierboven zijn enkele argumenten genoemd voor het huidige corona beleid. De één vindt het van uiterst belang dat de grondrechten gewaarborgd blijven omdat die rechten er zijn met een reden. De ander vindt het belachelijk dat de theaters niet kunnen openen, maar met tien man in een kerk samenkomen wel is toegestaan. Maar hoe denk jij hierover?

Geschreven door Hilal Gül.

Leave a Comment

Your email address will not be published. Required fields are marked *